• slide-1
  • slide-2
  • slide-3
  • slide-4
  • slide-5
  • slide-6
  • slide-7
  • slide-8
  • slide-9
  • slide-10
  • slide-11
  • slide-12
  • slide-13
  • slide-14
  • slide-15

vijfde dag in Cuba: trip naar Viñales, Buena Vista Social Club in de Nacional

De toeristenbus naar Viñales laat op zich wachten maar de mooi gerestaureerde Plaza de Armas met z’n rondliggende sjieke hotels en cafés maken veel goed. Een tasje Cubaanse koffie tussen de laatste feestvierders, de zon die opkomt en luid kwetterende vogels in de bomen maken ons helemaal wakker.

In de bus krijgen we een intelligente uitleg, in perfect Engels en Spaans, over het landschap (veel toegepaste milieuzorg), het nummerplatensysteem (toeristen, ambtenaren en particulieren en het institutionaliseren van autostop middels een systeem van inspecteurs langs de autostrades), de industrie (voornamelijk pharmaceutische toepassingen uit suikerriet) en de diverse geplande rondleidingen (sigarenfabriek, ‘mojotes’ van binnen en van buiten en een grote muurschildering).

De ‘autopista‘ is een goed onderhouden autosnelweg die speciaal breder is gemaakt om (leger)vliegtuigen te laten landen en opstijgen. Er is weinig verkeer en er heerst een zekere laissez-faire: om in de andere richting te gaan rijden volstaat het in de middenberm een gat te vinden om door te geraken. De op- en afritten zijn dikwijls niet meer dan een simpel weggetje naar diverse bestemmingen (resto, camping of een paar huisjes). Iedereen is relaxed en gevaarlijke toestanden komen we niet tegen.

Eerste stop is een sigarenfabriek waar het helaas weer verboden is foto’s te maken. Het ruikt er lekker, de zon priemt fel door kleine openingen in het dak waardoor het lijkt of er willekeurige spots schijnen door de stoffige lucht binnenin. Aan lange tafels zitten meestal jonge vrouwen die met een verbazingwekkende vingervlugheid lappen tabaksbladeren snijden, samenrollen en lijmen in diverse formaten. Ze kunnen ongeveer 150 tot 200 sigaren per dag produceren. Elke fabriek kan elk merk maken: Cohibas, Montecristos en Partagas zijn de bekendste. Met een curieuze pneumatische machine test een specialist elke sigaar op ‘trek’. Als die niet tussen welbepaalde waarden valt – de roker moet te hard trekken of er komt integendeel teveel lucht mee – dan gaat de sigaar terug en haalt de maakster ze weer uiteen om ze opnieuw te rollen. Alle sigaren komen vervolgens onder het wakend oog van een keurder die ze per kleur en grootte sorteert. Vervolgens gaan de bandjes er rond en stapelen ijverige werksters de sigaren op een nauwkeurig voorgeschreven manier in de doos.

Een paar tips: koop een minder bekend merk omdat namaak veelal bij de bekendste merken voorkomt. Een echte sigaar is te herkennen aan de tip. Die heeft een goed herkenbare drieledige verlijming rondom die ontbreekt bij de namaak. Ook het binnenste veraadt vervalsingen. De doorsnede aan het uiteinde moet mooi gelijkmatig zijn en vooral fijn van structuur. De namaak is van binnen ruw en ongelijkmatig. Elke doos heeft ook een echtheids- en takszegel maar die zijn makkelijk te kopiëren. Een typische eigenschap die bij de namaak ontbreekt of onbeholpen is uitgevoerd, is de kleine halvemaanvormige uitsparing in een hoek van het cederhouten tussenschotje dat de verschillende lagen sigaren van elkaar scheidt. Voor het overige geldt zoals bij alle namaak: als het te mooi is om waar te zijn, is het ook te mooi om waar te zijn.

De Viñales is een merkwaardig landschap zoals er maar twee in de hele wereld zijn. Vanuit de hoogte lijken het enorme rotsblokken in een voor de rest volkomen vlak landschap. Wetenschappers zijn er nog niet helemaal aan uit maar waarschijnlijk zijn ze ontstaan doordat zachtere delen weg erodeerden en de hardere blokken overbleven. Binnenin de ‘mojotes‘ zijn grotten uitgesleten waar we te voet en per bootje een tochtje maakten. Niet echt indrukwekkend.

Fidel vroeg een bevriend schilder om een reusachtig schilderij te maken met daarop de geologische geschiedenis van Cuba. Het gigantisch geval moest toeristen aantrekken en zo de economie van de streek aanzwengelen. Dat lukt perfect want de ene toeristenbus na de andere zet grote groepen kijklustigen af die zich vervolgens op de ‘mojitos’ – een drankje met rum, suiker en munt – storten en in een verderop gelegen restaurant een simpele doch voedzame maaltijd nuttigen.

Door de suikerrietvelden gaat het terug naar de ‘autopista’ voor la Habana. De begeleider probeert me nog warm te maken voor een tochtje per vliegtuig naar het zuiden maar toen ik naar het type vliegtuig vroeg en ze Tupoljevs bleken te bezigen, was m’n goesting over. “They fly OK, look at me, I’m still alive”. De vraag is maar voor hoelang …

’s Avonds duiken we lichtelijk gehaast in een oude Lada om ons naar de Nacional te laten brengen voor een optreden van de Buena Vista Social Club, althans van de vier nog overlevende bandleden. De taxi is zo illegaal als maar kan en rijdt regelrecht de avenida Italia in, de enige straat in la Habana die de Rough Guide als gevaarlijk aanduidt. De schrik slaat me lichtelijk om het hart en ik haal m’n meest dreigende Russisch boven om indruk te maken op de jonge snaak achter het stuur. Veel succes heb ik niet maar plots stopt de man en wijst met een brede grijns naar een hotel dat in de verte inderdaad op de Nacional lijkt. We maken dat we wegkomen en bemachtigen even verderop een taxi die keurig met de meter aan ons tot bij de echte Nacional brengt. Het zal de enige taxi tijdens ons heel verblijf zijn die volgens het boekje rijdt. Enig contrast is Cuba niet vreemd.

In de Nacional zit een bont gezelschap bij elkaar: rijke toeristen, sigaren rokende madammen in soirée en heren in smoking aan aparte tafeltjes, rijkelijk overladen met luxueus eten. Daartussen laveren pinguins om iedereen op haar/zijn wenken te bedienen. Sigarenrook kringelt door de gekoelde lucht, iedereen is goedgezind of in een romantische bui en een ‘maître de’ kondigt de Buena Vista Social Club aan. Die steken gelijk stevig van wal met fantastisch goed uitgevoerde salsa, son en boleros. Dames van een zekere leeftijd beginnen spontaan te dansen vooraan totdat een professioneel stel overneemt om op de meest zwierige manier ingewikkelde danspassen ten beste te geven. Een lust voor het oog en oor ware het niet dat de airco recht op ons blaast en we na een tijdje de vlucht nemen naar de warmere zijkant. Later schaf ik me een paar cd’s aan met nummers van Francisco Repilado alias Compay Segundo (letterlijk “maatje nummer twee”) waar de bandleden prominent op figureren. Magnifieke muziek met reminiscenties aan het slaveneiland Gorée in Sénégal. Achteraf kan ik thuis vergelijken met originele ritmes van de Peul uit Sénégal en het verband is overduidelijk. Alles bij elkaar een geslaagde maar erg toeristisch getinte dag.

foto’s in de galerie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.